HOOFDSTUK 10: Kringloop

Ik fietste naar het station van Haacht. Een half uurtje trappen met mijn gezicht in de frisse wind. Een tocht die ik wekelijks maak. De ene keer een stralende zomerzon die mijn huid kleurt in de meest zuidelijke tintjes, de andere keer gietende regen. Voorbijrazende auto’s spatten mijn broek vol vuil water, maar ik trek het mij niet aan. Niets leuker dan een fietstochtje door de ijzige regen met Spinvis op de achtergrond. Neerslachtige muziek die perfect aansluit bij het harmonieuze getik van de druppels op mijn jas. Ze spelen xylofoonmuziek die mij begeleidt in mijn schrijfwerk. Het lijkt wel of er letters dansen in mijn hoofd op het ritme van de neerslaande druppels. Romantisch verbinden zij zich tot lettergrepen en woorden en zelfs hele zinnen. Ik hoef niet meer te doen dan deze neer te pennen. De frisse buitenlucht zorgt ervoor dat er zuurstof door mijn hersens stroomt en geeft mij nieuwe ideeën. Heroplevende golven van literaire creativiteit lijken mij te dragen en maken dat mijn benen wel gevoelloos lijken. Vandaag was anders echter. Een gure wind woei pal op kop. Mijn benen en mijn armen, mijn hele lichaam was verzwakt. Elke meter vooruitgang die ik boekte, was een succes. Een overwinning op de natuurkrachten en op mezelf. Zolang we leven moeten wij vooruitgaan. 

Bijna een liter bloed heeft die dokter getrokken. Levenskracht uit mijn aders. Of zijn het de slagaders waaruit ze bloed trekken? Ik heb een moderne dokter. Bloedtrekken, foto’s nemen, alles doet hij zelf. Geen verpleegstertje gehuld in minirokje die voorovergebogen het lijden van iedere patiënt wat zou verzachten, zoals ze die op de televisie en in films wel eens hebben. Het hart stuwt het bloed via de slagaders naar alle delen van het lichaam, waar het de zuurstof levert nodig voor het functioneren van lichaam en geest. Daarna loopt het door de aders weer naar het hart. Een gesloten cirkel. Dat hebben ze mij vroeger op school geleerd. Bloed geeft glans aan mijn bolle wangen. 
‘Goedemorgen,’ zei ik toen ik de wachtzaal van de dokter binnenkwam. Niemand van de wachtenden reageerde. Ieder met zijn eigen tijdschrift. Ieder zijn eigen problemen. Ouders leren hun kinderen niet meer om een goede dag te zeggen bij de slager en de bakker en in de wachtzaal bij de dokter. Beleefdheid is uit de mode. Beleefdheid is tijdsverlies. Er waren drie wachtenden voor mij. Mensen waaraan je kon zien dat ze ziek waren. Twee dikke truien aan en toch rillend op het bankje in de wachtzaal. Zich excuserend voor het onophoudelijke gekuch dat uit hun zichtbaar ontstoken keelgat komt. Of een voet, helemaal opgezwollen en blauw. Gevallen op school? Aan mij zie je niets. Langzaam lekt de laatste energie uit mijn lichaam. Elke pas die ik zet, gaat moeizamer dan de vorige. Een trap opgaan is moeilijk. Mijn tas koffie weegt zwaar. Er zit iets in mijn bloed dat daar niet hoort. Maar wat? 
Vast niets ergs. Ik moet vooruit. Mijn trein is er over enkele minuten. Ik trap wat harder al kan ik dan geen kracht zetten. Gespannen ketting. Mijn trappers kraken. Ik heb een oude fiets. Gekocht in de kringloopwinkel voor nog geen euro. Ik vind dat een mooie uitvinding, die winkel. In plaats van oude dingen weg te gooien, hervinden ze daar een tweede jeugd. Krijgen ze een kans op een nieuw leven. Zo ook die fiets. En als ik hem niet meer moet hebben, verkoop ik hem weer of laat ik hem in de ijzerfabriek smelten zodat ze met dat gesmolten ijzer weer een nieuwe fiets kunnen maken. Zo is de cirkel weer rond. Een bloedsomloop. Een mens heeft niet meer nodig om gelukkig te zijn. De minister die de kringloopwinkel heeft uitgevonden krijgt mijn stem. Zo moesten er meerdere zijn. 

Ik zet mijn fiets in het rek en maak hem vast met een ketting. Een trein beladen met ijzeren staven en platen raast voorbij. Tal van kilo’s staal die als kostbare erts uit de mijnen worden ontgonnen door mannen die dit zien als hun dagelijkse arbeid, hun zuurverdiende boterham, en dan worden gesmolten in weerzinwekkende verbrandingsovens, de longen van onze maatschappij, tot ijzeren platen en staven om nieuwe fabrieken te bouwen, het broeikaseffect tot groot jolijt, maar we moeten tegen elke prijs vooruit. Wie blijft staan, is zo verloren als de rode duivels tegen wereldtoppers als daar zijn Kazakstan en Polen. Wie blijft hangen aan wat achter ons ligt, wordt overreden door de snelheidstrein die de vooruitgang is. Een trein van ijzer en metaal. 

Mijn spieren willen niet meer mee, maar de dokter heeft me beloofd dat het weer beter zal gaan. Niet onmiddellijk, maar wel over enkele dagen of weken. Dan zal ik weer kunnen sporten en spelen en doelloos door straatjes kunnen slenteren, op zoek naar liefde en geluk en andere mooie dingen, maar nu moest ik rusten. Stilzitten. Liggen. Niets doen. 
‘Mijn schrijverscarrière’, flitste het plots door mijn hoofd. Wil ik het ooit echt proberen dan is dit de uitgelezen kans. Ik kon mijn bed niet uit en moest niet meer doen dan de ideeën en gedachten die onophoudelijk doorheen mijn hoofd flitsten, aanschoven, op en tegen en elkaar botsten en weer verdwenen, neerpennen in mijn notitieboekje en er een verhaal rond verzinnen. Iets over elfjes die naakt rondlopen over het groenste gras, of een ode aan mijn snowboardsletjes, de liefste meisjes van de hele wereld. Eenvoudiger kon het niet zijn. Ik dankte God en Allah en mijn horoscoop voor al de mooie mogelijkheden die het leven mij gegeven heeft, en begon te schrijven en te schrappen; 

Liefde aan wereldwinkelprijzen. 


Brussel Noord. Ik heb niets te doen en slenter maar wat doelloos door de gure steegjes. De stad is grauw en grijs en ik geef mijn blik slechts sporadisch de kans af te dwalen in de richting van de schaars verlichte ramen waarachter jonge, donkere meisjes hun eeuwige liefde trachten aan te prijzen, als ware het België’s nieuwste importproduct. Ik kan een nare jeugdherinnering maar niet onderdrukken. 
Ik moet een jaar of acht geweest zijn toen ik Botje vond, drijvend op zijn rug in het aquarium. Botje was mijn toenmalige beste vriend, ik was ontroostbaar. Een paar uur later stonden mijn vader en ik voor tientallen verlichte raampjes waarachter de meest exotische vissen zwommen. Ik bekeek ze stuk voor stuk. Ik had er maar eentje voor het uitkiezen en ik moest naar de prijs niet kijken, zo had vader gezegd. De liefde die je van een goudvis krijgt, is al even vervangbaar als het beestje zelf. Je kan van het concept gaan houden. Het water, het glas, het blauwe neonlampje. Eventueel zelfs het verzonken kasteeltje op de bodem, te midden van halve glazen knikkers, maar liefde voor een vis is iets utopisch. 
Pijpen, twintig euro. Sucer, vingt euro. Dat staat er. Neuken, baiser, vijfenzeventig euro. Een onstabiele markt. De prijs is volledig afhankelijk van vraag en aanbod en staat niet aangegeven per kilogram vers importvlees. Het staat te lezen in twee talen, maar ik betwijfel of één van deze zwarte diamanten begrijpt wat er geschreven staat. De enige taal die hier gesproken wordt, is die van de uitgebuite liefde. ‘Ja’ knikken tegen hun pooier. Oorvegen, slagen, verkrachting,… Ze moeten veel slikken. Ook letterlijk. Het kost enkele euro’s meer, maar slikken is zoveel geiler. Zeggen ze. 
Een internationaal opgezet netwerk met vertakkingen naar de Filippijnen en Zuid-Amerika. Zijn exotische kutjes dat zoveel mooier, zoveel strakker of zoveel geiler dan Vlaamse? Bestaat er Überhaupt een verschil of zit het hem enkel in de prijs? Is de ware liefde van hart en ziel te onbetaalbaar geworden en zoeken we daarom onze uitvlucht tot het aangeprezen importvlees van achter blauw verlicht neonglas? Talloze gedachten verzamelen zich ter hoogte van mijn hoofd. Ik ontken hun aanwezigheid niet, maar weiger ze te ordenen. Daarvoor is het nog te vroeg. 
Ik sta voor tientallen glazen raampjes met blauwe lichtjes, en keur ieder exemplaar, stuk voor stuk. Ik zoek het mooiste meisje uit en betaal de gevraagde twintig euro. Ze zet zich op haar knieën en opent mijn broek. Ik sluit mijn ogen en droom weg. Mijn gedachten zijn bij Botje. 



Ik ben een schrijfhoer, een literaire huurmoordenaar. Ik schrijf voor wie mij betaalt. Het kan mij niets schelen of ik enige affectiviteit jegens mijn werk voel. Ik moet ook eten, en op café kunnen gaan. Belastingen betalen en een flatscreen tv kopen. Het nietszeggende verhaal van een goudvis die al twintig jaar hetzelfde rondje zwemt en nu, plots, als uit het niets, of als aangestoken door een buitenaardse mogendheid, zijn zwemrichting veranderd heeft voor allicht de komende twintig jaar. Voorpaginanieuws in de streekkrant temidden van contactadvertenties en zoekertjes. Ook die schrijf ik. Met tegenzin, maar de geur van geld prikkelt mij. Het maakt een gevoel in mij wakker dat me vertelt dat het niet erg is om me te verlagen tot het niveau van afgekorte woorden in kleine kadertjes op de laatste pagina’s van een krantje waar mensen enkel aardappelen op schillen en de open haard of barbecue mee aansteken. Zoekertjes voor vrouwen en mannen op leeftijd die niet meer verlangen dan de affectie waar zij al jaren recht op hebben. Ze zijn op zoek naar de perfecte tegenpool wiens rimpels in hun sinaasappel huidoppervlak precies in elkaar vallen. Elkanders leemtes aanvullen, verzakkingen stutten, en onverstaanbare liefdeswoordjes mompelen. Van stoma en gebit wisselen. Hogeleeftijdsliefde! 
Een luxe escortedienst. Ik laat me betalen door oudere heren en geef hen in ruil het gevoel dat ze belangrijk zijn, dat ze nodig zijn. Ik schrijf de liefdesbrief die ze aan hun vrienden zullen laten zien in de laatste uren voor het café zijn deuren sluit. Getekend met de naam van een twintigjarige schone. 
Een tovenaarsjong dat niet meer dan de brandstapel verdient. Letters, stijlfiguren en een litertje inspiratie zijn de ingrediënten voor mijn hoog begeerde kwakzalverbrouwsels. Je bent droevig? Hier, een vreugdesgedichtje. Te kort aan liefde? Een Ik-hou-van-jou versje! Schrijven is liefde, mijn gedichtjes zijn Houden Van.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.